Feeds:
Posts
Comments

Advertisements

May I draw your attention to this special event. The Invisible City is an evening of music, experiments and emotions. The first part of the evening is a live improvisation with sounds and field-recordings by Pieck, Zeno van den Broek (Machinist, elektronica & field recordings), Peter Johan Nyland (Hadewych, percussion) and Coen Polack (Living Ornaments, saxophone). The second part of the evening is a live performance of The Invisible City by BJ Nilsen, including an introduction to the set and an interview with BJ Nielsen. A very special event indeed, not to be missed.

Location: Huis aan de Werf, Utrecht
Tickets and information can be found here

It has been relatively quiet at Cityness. I’ve been awfully busy with teaching and research, and there was not that much to report in terms of all things urban. But a few things happened here and there, and some comments are deserved.

The main news this month was that the government proposed to merge three (or two) Provinces into one metropolitan region around Amsterdam. This is an incarnation of a debate that is going on ever since sir Peter Hall added the ‘Randstad Holland’ to his list of world cities. This time, the provinces of North-Holland, Flevoland and Utrecht would merge to create one big administrative unit. The proposal was barely out or parties started a public fight about many issues, including whether Utrecht should be considered part of Amsterdam or not. It all sounds a bit too familiar. The most noticeable point was the absence of Rotterdam or Den Haag or South-Holland in the whole debate. And as it happened, the mayors of both cities announced their own plan to form a metropolitan region. Call me a cynic but I find it highly suspicious that Rotterdam and Den Haag rarely agreed on anything for the past decades and would change their stance overnight. Surely not. And to those who think that redrawing administrative boundaries accelerate decision-making: if people don’t want to cooperate they will not cooperate, regardless of hierarchies or boundaries.

Meanwhile, public organizations are quietly working on the intergration of the public transport in the Randstad. That seems sensible.  There is much going on in this part of the country. Public transport covers a bewildering range of means and ends, ranging from ultra-short tramlinks (former Utrecht-Houten) to international high-speed railroads (Amsterdam-Paris, and possible a direct link to London in the future). Old railroads have been converted to new light-rail, bus services have been put out to tender and quite successfully so. Attempts are now made to integrate the system, which will help to increase its attractiveness and make traveling the Randstad a whole lot smoother. I find this way of thinking better than abstract discussions about who is Amsterdam and who isn’t. Click here for a marvelous map of the Randstad and its current and future public transport links.

Other news: the Rotterdam Economic Development Board published a report in which it assessed the state of Rotterdam. Its main conclusion is that much is needed to get Rotterdam back on track. I felt tired reading the same thing over and over again and I think that it is time to judge the city in its own right rather than repeating the same mantra (not enough high incomes) and medicine (build houses for high incomes). I read the report and felt a creative vacuum. Sure, the city could do with more people and higher incomes but no one mentions the main real issues that will prevent this from happening: (a) the municipality is not in the position to build housing for another 30.000 people, and (b) where would these people come from in a country whose population is already shrinking? And even if that magic wand was found and 30.000 people and houses were conjured up… would that change the city considerably? Path-dependency suggests it won’t. Live with it. But my main complaint is that it really doesn’t help anybody to suggest the city council to build more. There is no money, there are no legal instruments that can do that, there are no people to live in those houses. It makes one eager to develop a counter-plan…

I like my city rough and tough. It has been like this for centuries, it won't change. It is good in its own right. Picture of the Maassilo by me.

 

Trots op gewapend beton!

Een interview met Gerard Frishert, BNA/BNSP, over de restauratie van de oorspronkelijke gebouwen van de Erasmus Universiteit Rotterdam

De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft voor het eerst in haar bestaan een integraal plan voor de hele campus laten ontwikkelen. De bouwput kan niemand ontgaan zijn. Tegelijk met de nieuwbouwprojecten wordt het betonnen kolos waar het voor de universiteit allemaal begon gerestaureerd. Als gebruiker van het gebouw heb ik me altijd verbaasd over de lompheid en rommeligheid van dit gebouw. Niet bepaald een visitekaartje naar de buitenwereld. Waarom dan toch een renovatie in plaats van een sloopkogel? De gerenoveerde A-vleugel geeft een stille hint: eenmaal hersteld van achterstallig onderhoud en misplaatste cosmetische veranderingen ziet de bezoeker opeens dat het oorspronkelijke gebouw een krachtige, monumentale charme heeft. Goede reden om eens te gaan praten met Gerard Frishert, de architect die verantwoordelijk is voor de restauratie.

LG: U bent aangesteld als restauratiearchitect van de oorspronkelijke gebouwen van de EUR, de A en C-vleugel en het H-gebouw. Ik heb wel eens gedacht: waarom niet gewoon platgooien? Het komt op mij vaak bunkerachtig over. Waarom zijn deze gebouwen de moeite waard om gerenoveerd te worden?

GF: In 2006 kreeg het oorspronkelijk onder architectuur van Corns. Elffers gerealiseerde complex uit 1968 de gemeentelijke monumentenstatus. Het is een feit dat tot op de dag van vandaag het gebouwencomplex door haar gebruikers algemeen wordt ondergewaardeerd. Men ziet vooral veel beton en weinig kleur.

LG: Inderdaad!

GF: Uit de aanloopgeschiedenis valt af te leiden, dat de soberheid voortkomt uit de symbiose tussen opdrachtgever en architect. Het resultaat is een vrij zuiver voorbeeld van functionalistische, plastische betonarchitectuur, op een voor Nederlandse begrippen zeer forse schaal. De bouw werd vrijwel geheel gerealiseerd met gelden uit de Wederopbouwwet. De stringente toestemmingenprocedures, met zware bemoeienis van de Rijksgebouwendienst, en de gang van zaken onder het regime van het curatorium, de bouwcommissie en de architecten maken deel uit van een bouwcultuur die vandaag de dag vrijwel niet meer bestaat. Ik zie het Monument Woudestein vooral als een monument van wederopbouw. In de formele ‘redengevende omschrijving’ waarop het monumentenbesluit in 2006 werd gebaseerd luidt het zo:

“Het uit 1963-1970 daterende complex met bijbehorende (interieur-) onderdelen en buitenruimte is van belang vanwege cultuur-, architectuurhistorische-, typologische- en stedenbouwkundige waarde als kenmerkend voorbeeld van een excentrisch gelegen grootschalig naoorlogs universiteitscomplex,
ontworpen als een gedifferentieerde concentratie van met elkaar verbonden gebouwen gegroepeerd rond een centraal plein, in de stijl van het “Brutalisme” als functionalistische betonarchitectuur met stijlinvloeden van architect Le Corbusier, uitgevoerd in diverse constructiemethoden en met voor de tijd van realisatie zeer geavanceerde technische installatievoorzieningen; van kunsthistorische waarde vanwege de diverse vaste kunstwerken.”

LG: Dat snap ik maar het is in alle eerlijkheid nog steeds moeilijk om erg warm te worden van deze betonnen kolossen. Wat zou er moeten gebeuren om de bezoeker zich wat meer thuis te laten voelen?

GF: De belangrijkste kwalen van het monument betreffen de verrommelingen die zijn ontstaan door allerlei aanpassingen in de loop van de tijd. Als belangrijkste strategie bestrijd ik die verrommeling, want het maakt het complex niet meer ‘leesbaar’. Oorspronkelijk was het zo ontworpen, dat iedereen via het plein met het carrillion de gebouwen benaderde, van waaruit men alles overzichtelijk en met korte lijnen kon bereiken. Nu zijn tal van vroegere nooduitgangen al lange tijd als hoofdtoegang gebruikt. Tienduizenden studenten en bezoekers hebben het complex altijd via toegang A-west benaderd, eigenlijk dus de kont van het gebouw. In een labyrint maak je niemand gelukkig, dus het is mijn hoofdopzet om dat te ontmantelen. Verder zijn er te veel overbodige verwijzingsbordjes, de mensen weten niet meer waar ze naar moeten kijken.

LG: Ja, dat deel ik. Het is echt een kermis met alle kleurtjes, panelen, en verwijsborden. Het valt mij op dat de A-vleugel, die al klaar is, veel schoner en overzichtelijker oogt. En dat je daarom veel beter te zien krijgt hoe het gebouw oorspronkelijk bedoeld was.

GF: In mijn ontwerpen voor de restauratie van de gebouwen neem ik het oorspronkelijke tot uitgangspunt. Alles wat er later aan veranderd is en niet meer functioneel is of kwalitatief onder de maat wordt verwijderd. Ik onderzoek welke oorspronkelijke kwaliteiten beter zichtbaar kunnen worden gemaakt en waar nodig voeg ik steunkleur toe of nieuwe materialen. De verbetering van de daglichttoetreding en de kunstverlichting zorgen voor een briljantere uitstraling.

Tot slot is het van belang, dat de vaste en losse inrichtingen een logisch geheel vormen met de gebouwarchitectuur. Dat is hier van essentieel belang, mede vanwege de grote vaste kunstwerken in de gebouwen die oorspronkelijk de boel moesten ‘versieren’. Het is destijds niet allemaal goed gekomen; de tussentijdse pogingen om met ad-hoc aanpassingen de boel wat op te vrolijken hebben uiteindelijk alleen maar een rommelig beeld opgeleverd. Het is dus zaak om alles steeds integraal te benaderen en geen losse grappen uit te halen.

LG: Dat begrijp ik maar waarom vond u het een goed idee om de examenkamers in de A-vleugel in de eerste instantie zilver en rood te schilderen en klokken op te hangen die niet op tijd liepen? Dat vonden mijn collega’s en ik een soort grap die niet heel goed uitpakte.

GF: Als ik klokken op tijd kon laten lopen dan zou ik beslist een andere roeping hebben gehad! Wat die zilverkleurige wanden betreft, dat was een misgreep. Op die ruwe cement-stukwerk wanden pakte die kleur niet goed uit, later hebben we dat laten corrigeren.

LG: Hoe zijn de gebouwen er na zo’n 50 jaar intensief gebruik aan toe? Zijn ze nog toegesneden op de huidige gebruikerseisen en hoe scoren ze qua duurzaamheid?

GF: De reden om te renoveren is de integrale vervanging van de installaties, want die zijn op. Bouwdeel voor bouwdeel zullen moderne, energiezuinige systemen worden toegepast op het actuele kwaliteitsniveau. De gebouwen worden voor zover nodig bouwkundig aangepast om hun functie weer voor lange tijd te kunnen vervullen. Het plan voor gebouw C bevat voor een restauratiewerk aanzienlijk veel duurzaamheidsmaatregelen. De isolatie wordt sterk verbeterd, er komen zonnecellen en sedumbedekking op het dak, er is warmteterugwinning en er wordt speciale zorg besteed aan de toepassing van verantwoord afbreekbare materialen. Het wederom geschikt maken en intensief blijven gebruiken van een monument is de ultieme duurzaamheid. Als dat gepaard gaat met functionele comfort verbetering en met een heldere uitstraling, dan zullen de gebruikers het complex alsnog kunnen gaan waarderen.

LG: En dat lijkt me iets om naar uit te kijken. Werd u tijdens de renovatie van de A-vleugel verrast door het gebouw?

GF: Toen ik werd aangesteld lag het renovatieplan voor de installaties en de bouwplanning al vast. Lopende het vergunningentraject heb ik gelijktijdig het Bouwhistorisch Vooronderzoek (LG: zie rapport ISBN/EAN: 978-90-78826-07-1) uitgevoerd en een bouwkundig restauratieplan toegevoegd. Daarin is de strategie ontwikkeld, die nu voor het gehele complex de leidraad vormt.

LG: De A-vleugel oogt een stuk ruimer en rustiger na de renovatie. Waar komt dat door?

GF: Het gebouw is in oorspronkelijke staat gebracht, in het Senaatsgebouw is het daglicht teruggebracht. Belangrijk was de functieverschuiving. Er zijn nu uitsluitend algemene representatieve afdelingen en functies die passen bij het semi-publieke karakter van Gebouw A. Om te voorkomen dat de hoofdgang tussen Aula-hal en Gebouw C opnieuw zou verrommelen door kantoren heb ik hier gestreefd naar de realisering van de kunstkamer, dat zie ik als mijn belangrijkste daad. Vanaf het Plein kun je nu door de grote ramen heen en mede door de goede kunstverlichting de kleuren van kunstwerken zien, die dragen dus zelfs buiten al bij aan de doorbreking van het monotone betoneffect.

LG: De kunstkamer is een mooie vondst. Ik kom daar zelf graag vanwege de rust en ruimte terwijl een deur verder het juist weer heel druk en vol actie is. Dat is een mooi contrast. Ik was trouwens ook verrast over het V-gebouw dat ook van jouw hand is. Het ziet er niet echt tijdelijk uit. Kunt u iets vertellen over de totstandkoming van dat gebouw?

GF: Gebouw V is onderdeel van het restauratieproject C. Deze tijdelijke huisvesting voor slechts anderhalf jaar is zodanig opgezet en uitgevoerd dat deze te hergebruiken is voor andere functies en desgewenst heel goed te verplaatsen is. Binnen het budget voor de tijdelijke voorzieningen hebben we een semi-permanent gebouw gerealiseerd, dat kwalitatief niet onderdoet voor actuele nieuwbouw en geheel voldoet aan huidige duurzaamheidsnormen. De EUR heeft er een klein extra budget aan toegevoegd om zelfs warmteterugwinning toe te passen. Daarmee maakt de EUR zijn ambities geheel waar. Het gebouw ziet er bewust nog net niet uit als een permanent gebouw maar het kan zeker heel erg lang mee gaan.

LG: Dat zou in de beste EUR-tradities zijn, het zou namelijk niet de eerste keer zijn dat ‘noodgebouwen’ veel langer in gebruik blijven dan gepland! Ik hoorde al eerder dat de luchtinstallatie uit het Museon komt, dat is een echte vorm van nuttig hergebruik. In ieder geval kijk ik uit naar de oplevering van de gerenoveerde ‘oudbouw’ en ik hoop dat alle oorspronkelijke kwaliteiten weer helemaal tot uitdrukking zullen komen. En ik hoop dat mijn collega’s ook gaan zien dat het eigenlijk een heel mooi ensemble is. Dank voor dit gesprek!

Meer informatie over de restauratie staat hier.
En hoe de C-hal er in de toekomst uit gaat zien staat hier, inclusief mooi filmpje.

Alle foto’s op deze pagina zijn afkomstig van de projectwebsite van de Erasmus Universiteit Rotterdam

Review of ‘Nul=0’

I reviewed the ‘Nul=0’ exhibition of avant-garde art at the Stedelijk Museum Schiedam. Read it here at the revamped PAUME-website.

I’m proud to announce that we’ve teamed up with Deltametropolis to host one of the gatherings in their lecture series ‘The International Perspective’. We have invited Stephen Marshall of the Bartlett School of Planning to talk about his ideas about the city as an evolving, self-organizing system. I´m a big fan of his work ever since I read ´Cities, Design and Evolution´ ) review of which is due to appear in Planning Theory & Practice, this fall). His concepualization of evolving systems has great implications for the way the city should be planned – and this is exactly what the lecture and discussion will be about.

We are still busy finishing all the details – watch this weblog for more information or head over to the program website at the Vereniging Deltametropool.

I reviewed the astonishing ‘The One and the Many’ by Elmgreen & Dragset for the PAUME website. Click here to read the review of click here to find visiting information. Highly recommended. An interview with the two artists can be found here.