Feeds:
Posts
Comments

Archive for the ‘Interviews’ Category

Een interview met Gerard Frishert, BNA/BNSP, over de restauratie van de oorspronkelijke gebouwen van de Erasmus Universiteit Rotterdam

De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft voor het eerst in haar bestaan een integraal plan voor de hele campus laten ontwikkelen. De bouwput kan niemand ontgaan zijn. Tegelijk met de nieuwbouwprojecten wordt het betonnen kolos waar het voor de universiteit allemaal begon gerestaureerd. Als gebruiker van het gebouw heb ik me altijd verbaasd over de lompheid en rommeligheid van dit gebouw. Niet bepaald een visitekaartje naar de buitenwereld. Waarom dan toch een renovatie in plaats van een sloopkogel? De gerenoveerde A-vleugel geeft een stille hint: eenmaal hersteld van achterstallig onderhoud en misplaatste cosmetische veranderingen ziet de bezoeker opeens dat het oorspronkelijke gebouw een krachtige, monumentale charme heeft. Goede reden om eens te gaan praten met Gerard Frishert, de architect die verantwoordelijk is voor de restauratie.

LG: U bent aangesteld als restauratiearchitect van de oorspronkelijke gebouwen van de EUR, de A en C-vleugel en het H-gebouw. Ik heb wel eens gedacht: waarom niet gewoon platgooien? Het komt op mij vaak bunkerachtig over. Waarom zijn deze gebouwen de moeite waard om gerenoveerd te worden?

GF: In 2006 kreeg het oorspronkelijk onder architectuur van Corns. Elffers gerealiseerde complex uit 1968 de gemeentelijke monumentenstatus. Het is een feit dat tot op de dag van vandaag het gebouwencomplex door haar gebruikers algemeen wordt ondergewaardeerd. Men ziet vooral veel beton en weinig kleur.

LG: Inderdaad!

GF: Uit de aanloopgeschiedenis valt af te leiden, dat de soberheid voortkomt uit de symbiose tussen opdrachtgever en architect. Het resultaat is een vrij zuiver voorbeeld van functionalistische, plastische betonarchitectuur, op een voor Nederlandse begrippen zeer forse schaal. De bouw werd vrijwel geheel gerealiseerd met gelden uit de Wederopbouwwet. De stringente toestemmingenprocedures, met zware bemoeienis van de Rijksgebouwendienst, en de gang van zaken onder het regime van het curatorium, de bouwcommissie en de architecten maken deel uit van een bouwcultuur die vandaag de dag vrijwel niet meer bestaat. Ik zie het Monument Woudestein vooral als een monument van wederopbouw. In de formele ‘redengevende omschrijving’ waarop het monumentenbesluit in 2006 werd gebaseerd luidt het zo:

“Het uit 1963-1970 daterende complex met bijbehorende (interieur-) onderdelen en buitenruimte is van belang vanwege cultuur-, architectuurhistorische-, typologische- en stedenbouwkundige waarde als kenmerkend voorbeeld van een excentrisch gelegen grootschalig naoorlogs universiteitscomplex,
ontworpen als een gedifferentieerde concentratie van met elkaar verbonden gebouwen gegroepeerd rond een centraal plein, in de stijl van het “Brutalisme” als functionalistische betonarchitectuur met stijlinvloeden van architect Le Corbusier, uitgevoerd in diverse constructiemethoden en met voor de tijd van realisatie zeer geavanceerde technische installatievoorzieningen; van kunsthistorische waarde vanwege de diverse vaste kunstwerken.”

LG: Dat snap ik maar het is in alle eerlijkheid nog steeds moeilijk om erg warm te worden van deze betonnen kolossen. Wat zou er moeten gebeuren om de bezoeker zich wat meer thuis te laten voelen?

GF: De belangrijkste kwalen van het monument betreffen de verrommelingen die zijn ontstaan door allerlei aanpassingen in de loop van de tijd. Als belangrijkste strategie bestrijd ik die verrommeling, want het maakt het complex niet meer ‘leesbaar’. Oorspronkelijk was het zo ontworpen, dat iedereen via het plein met het carrillion de gebouwen benaderde, van waaruit men alles overzichtelijk en met korte lijnen kon bereiken. Nu zijn tal van vroegere nooduitgangen al lange tijd als hoofdtoegang gebruikt. Tienduizenden studenten en bezoekers hebben het complex altijd via toegang A-west benaderd, eigenlijk dus de kont van het gebouw. In een labyrint maak je niemand gelukkig, dus het is mijn hoofdopzet om dat te ontmantelen. Verder zijn er te veel overbodige verwijzingsbordjes, de mensen weten niet meer waar ze naar moeten kijken.

LG: Ja, dat deel ik. Het is echt een kermis met alle kleurtjes, panelen, en verwijsborden. Het valt mij op dat de A-vleugel, die al klaar is, veel schoner en overzichtelijker oogt. En dat je daarom veel beter te zien krijgt hoe het gebouw oorspronkelijk bedoeld was.

GF: In mijn ontwerpen voor de restauratie van de gebouwen neem ik het oorspronkelijke tot uitgangspunt. Alles wat er later aan veranderd is en niet meer functioneel is of kwalitatief onder de maat wordt verwijderd. Ik onderzoek welke oorspronkelijke kwaliteiten beter zichtbaar kunnen worden gemaakt en waar nodig voeg ik steunkleur toe of nieuwe materialen. De verbetering van de daglichttoetreding en de kunstverlichting zorgen voor een briljantere uitstraling.

Tot slot is het van belang, dat de vaste en losse inrichtingen een logisch geheel vormen met de gebouwarchitectuur. Dat is hier van essentieel belang, mede vanwege de grote vaste kunstwerken in de gebouwen die oorspronkelijk de boel moesten ‘versieren’. Het is destijds niet allemaal goed gekomen; de tussentijdse pogingen om met ad-hoc aanpassingen de boel wat op te vrolijken hebben uiteindelijk alleen maar een rommelig beeld opgeleverd. Het is dus zaak om alles steeds integraal te benaderen en geen losse grappen uit te halen.

LG: Dat begrijp ik maar waarom vond u het een goed idee om de examenkamers in de A-vleugel in de eerste instantie zilver en rood te schilderen en klokken op te hangen die niet op tijd liepen? Dat vonden mijn collega’s en ik een soort grap die niet heel goed uitpakte.

GF: Als ik klokken op tijd kon laten lopen dan zou ik beslist een andere roeping hebben gehad! Wat die zilverkleurige wanden betreft, dat was een misgreep. Op die ruwe cement-stukwerk wanden pakte die kleur niet goed uit, later hebben we dat laten corrigeren.

LG: Hoe zijn de gebouwen er na zo’n 50 jaar intensief gebruik aan toe? Zijn ze nog toegesneden op de huidige gebruikerseisen en hoe scoren ze qua duurzaamheid?

GF: De reden om te renoveren is de integrale vervanging van de installaties, want die zijn op. Bouwdeel voor bouwdeel zullen moderne, energiezuinige systemen worden toegepast op het actuele kwaliteitsniveau. De gebouwen worden voor zover nodig bouwkundig aangepast om hun functie weer voor lange tijd te kunnen vervullen. Het plan voor gebouw C bevat voor een restauratiewerk aanzienlijk veel duurzaamheidsmaatregelen. De isolatie wordt sterk verbeterd, er komen zonnecellen en sedumbedekking op het dak, er is warmteterugwinning en er wordt speciale zorg besteed aan de toepassing van verantwoord afbreekbare materialen. Het wederom geschikt maken en intensief blijven gebruiken van een monument is de ultieme duurzaamheid. Als dat gepaard gaat met functionele comfort verbetering en met een heldere uitstraling, dan zullen de gebruikers het complex alsnog kunnen gaan waarderen.

LG: En dat lijkt me iets om naar uit te kijken. Werd u tijdens de renovatie van de A-vleugel verrast door het gebouw?

GF: Toen ik werd aangesteld lag het renovatieplan voor de installaties en de bouwplanning al vast. Lopende het vergunningentraject heb ik gelijktijdig het Bouwhistorisch Vooronderzoek (LG: zie rapport ISBN/EAN: 978-90-78826-07-1) uitgevoerd en een bouwkundig restauratieplan toegevoegd. Daarin is de strategie ontwikkeld, die nu voor het gehele complex de leidraad vormt.

LG: De A-vleugel oogt een stuk ruimer en rustiger na de renovatie. Waar komt dat door?

GF: Het gebouw is in oorspronkelijke staat gebracht, in het Senaatsgebouw is het daglicht teruggebracht. Belangrijk was de functieverschuiving. Er zijn nu uitsluitend algemene representatieve afdelingen en functies die passen bij het semi-publieke karakter van Gebouw A. Om te voorkomen dat de hoofdgang tussen Aula-hal en Gebouw C opnieuw zou verrommelen door kantoren heb ik hier gestreefd naar de realisering van de kunstkamer, dat zie ik als mijn belangrijkste daad. Vanaf het Plein kun je nu door de grote ramen heen en mede door de goede kunstverlichting de kleuren van kunstwerken zien, die dragen dus zelfs buiten al bij aan de doorbreking van het monotone betoneffect.

LG: De kunstkamer is een mooie vondst. Ik kom daar zelf graag vanwege de rust en ruimte terwijl een deur verder het juist weer heel druk en vol actie is. Dat is een mooi contrast. Ik was trouwens ook verrast over het V-gebouw dat ook van jouw hand is. Het ziet er niet echt tijdelijk uit. Kunt u iets vertellen over de totstandkoming van dat gebouw?

GF: Gebouw V is onderdeel van het restauratieproject C. Deze tijdelijke huisvesting voor slechts anderhalf jaar is zodanig opgezet en uitgevoerd dat deze te hergebruiken is voor andere functies en desgewenst heel goed te verplaatsen is. Binnen het budget voor de tijdelijke voorzieningen hebben we een semi-permanent gebouw gerealiseerd, dat kwalitatief niet onderdoet voor actuele nieuwbouw en geheel voldoet aan huidige duurzaamheidsnormen. De EUR heeft er een klein extra budget aan toegevoegd om zelfs warmteterugwinning toe te passen. Daarmee maakt de EUR zijn ambities geheel waar. Het gebouw ziet er bewust nog net niet uit als een permanent gebouw maar het kan zeker heel erg lang mee gaan.

LG: Dat zou in de beste EUR-tradities zijn, het zou namelijk niet de eerste keer zijn dat ‘noodgebouwen’ veel langer in gebruik blijven dan gepland! Ik hoorde al eerder dat de luchtinstallatie uit het Museon komt, dat is een echte vorm van nuttig hergebruik. In ieder geval kijk ik uit naar de oplevering van de gerenoveerde ‘oudbouw’ en ik hoop dat alle oorspronkelijke kwaliteiten weer helemaal tot uitdrukking zullen komen. En ik hoop dat mijn collega’s ook gaan zien dat het eigenlijk een heel mooi ensemble is. Dank voor dit gesprek!

Meer informatie over de restauratie staat hier.
En hoe de C-hal er in de toekomst uit gaat zien staat hier, inclusief mooi filmpje.

Alle foto’s op deze pagina zijn afkomstig van de projectwebsite van de Erasmus Universiteit Rotterdam

Advertisements

Read Full Post »

Here is part 2 of the interview I had with Tomasz Jaskiewicz of TU Delft / Hyperbody about complexity and architecture. The first part covered Tomasz take on complexity, and the ideas from complexity that he thinks are pivotal to complexity. You can find part 1 here. The second part focuses on his application of complexity to architecture.

LG: I enjoyed the examples you showed during your presentation and I can follow the reasoning behind them, tracing it back to complexity thinking. However, I find it hard to transfer your examples to concrete building projects. How does complexity translate into buildings where people can live, work or recreate and that are compliant to building regulations, and can be build at realistic price levels?

TJ: ” There is not one answer here. Complexity translates to a better understanding of architecture. One may employ that understanding to comprehend ‘traditional’, i.e. from vernacular to modernist, architecture more profoundly and more productively, through its interactions with the social, cultural and natural systems and from that understanding gradually devise ways to improve our living environment. I’m very fond of the work done by e.g. The Responsive City in this respect. However, one can also choose a more radical path, and rethink architecture from scratch, gradually building up its complexity, starting from the assumption that every designed component of architecture can be treated as an autonomous agent, whose agency can be augmented through technological tools. Many projects from the Hyperbody group directly address the practicalities of this approach, yet we haven’t managed to demonstrate a ready-to-live-in example just yet. I hope the time for this will come soon.”

So do I. The proof of the pudding is in the eating, and that is especially true for complexity theorists. In my field, thinking in terms of complexity has received a lot of criticism. Some say it is a fad, full of fancy terms but with little added value. How is that in architecture?

TJ: “The value of complexity theory to me doesn’t lay in helping us to solve known problems in a better way. The value is in redefining those problems through a different understanding of the world we live in. The criticism comes from those who either don’t understand or feel personally threatened, or both, in most cases. Such criticisms are nothing new if you look at history of human thought.”

Ha, couldn’t agree more. I need to remember that phrase about redefining. I feel that this is an important but understated added value. To me, thinking in terms of complexity has added a whole new layer of analytical depth when thinking about the urban. During your lecture I didn’t catch what level you are on. Is it about the analysis of space, or the operation of complexity mechanisms (such as nested agents) or something else?

TJ: “For practical reasons I chose to start from simple systems. Dwelling on relationships between one user and one component and to create complexity by gradually adding actors to such systems and establishing connections beyond the conceptually drawn boundary between the system of the outside world. I think it’s a productive way, that allows you to develop a gradual understanding of the complexity of the system you create (or in the words of Pask, which you “set in motion”). Thus in this case it’s an empirical, active approach, where the developing of understanding of the interplay between architecture, humans and nature goes hand in hand with building up an intervention into this system. Starting simple and reaching the complex.”

Yeah, that is an approach that I’m familiar with.

TJ: “I wondered whether in the projects I showed we are indeed just scratching the surface of complexity in architecture. If I were to use that metaphor, I’d rather say that while building up an understanding of architectural complexity we are scratching the surface of architecture itself from the inside out. Through a fundamentally different understanding of architecture we are reinventing ways for dealing with its internal mechanisms and the solidified crust of architectural surface is about to explode from within and hopefully be set in motion.”

You see, many of the discussions about the use of complexity in the social sciences focus on whether complexity provides metaphors or analytical tools. The first is often frowned upon because metaphors are fun but of little analytical value. You know, if someone writes “boids behave this or that way using simple rules of behavior, therefore people should behave like that”… than it receive a lot flak for being superficial and metaphorical at best. Unfortunately, quite some work never surpasses that level. 

TJ: “I am against metaphors here. But on the analytical side, the problem with borrowing from other areas in complexity research is that in many of these domains the homogeneity of agents is taken for granted, as in boids. Whereas, in the real world, such homogeneity doesn’t really exist, agents are highly heterogeneous, especially on human-agent scale and there are many more interactions between them than we could ever list. The simulation models, no matter how close they may be to predicting real-world phenomena, will always be simplifications and abstractions of reality. So, it’s not about borrowing simulation tools directly from other domains that are dealing within complexity research but about understanding the differences and using complexity as an ontological standpoint instead.”

Yes, I fully agree with that. But does that matter to architects? I mean, your task is to create a renewed world, whereas my task is to analyze how the current situation came about. I sense we are in the same murky basement but in different corners… Would you agree with that? 

TJ: “I prefer to think that creating a different, “renewed” world is inherently tied to understanding the “current situation” of the world now. Analyzing the “current situation” versus creating a new reality may be two different starting points and may follow a different line of argumentation, but, I think, they are bound to converge… perhaps when more light is brought to the murky basement? Analysing the situation as it is now from social studies perspective inevitably leads to a direction for changing the “current situation “, and that change, if executed,  is bound to be reflected in architecture of that future, as architecture forms one network with the society. Nevertheless, I would also like to defend an approach towards architecture that does not start from within the full complexity of the social, but which starts from within the agency of architecture and 1:1 relationships and interactions among its components and users, and which gradually gains more ground. It is simply more productive to have different people check different corners of your metaphorical basement for a light switch, rather than just thoroughly investigating only one corner.”

Oh yes, I fully agree with that… provided we accept that one switch will not bring full light. Let’s keep searching! Thanks again for your time and your detailed answers and good luck with your work!

Read Full Post »

A while ago I blogged about an event where among others Tomasz Jaskiewicz of TU Delft / Hyberbody talked about complexity-informed architecture. I left with quite some questions and contacted Tomasz for more information. He was kind enough to get into detailed answers and accepted to have the discussion published on Cityness. Here is part 1 of the discussion. The other parts will be published over the next few days.

LG: Hi Tomasz, thank you for taking time to answer my questions. I found your presentation very interesting but sometimes confusing. This is probably down to my own bias so please help me to understand your argument better. Thinking in terms of complexity has the advantage of focusing on the time-dimension. ‘Complexity’ puts everything one observes into flux and that is really an added analytical value. But why would this be relevant to architecture? Isn’t architecture static by definition?

TJ: “Looking at architecture as something that is inherently static may very well be at the core of most problems that architecture of today is facing. Architecture is not about statics, as it is fully embedded in a dynamic, ever changing sphere. Bruno Latour in Actor-Network Theory provides a good angle towards such understanding of architecture by considering both humans and non-living entities as actors in one network of relationships, transactions, dependencies and mutual transformations(interactions). From such perspective we can see how architecture is not only a product of dynamic social relationships, but also how it affects, catalyses and transforms those relationships. But it’s not only about architecture and society being one complex system. It is also about nature and architecture being one system. It is also about different scales on which it all happens.”

What are your most important cues from complexity?

TJ: “From the perspective I presented, I hope, the relevance of complexity theory for architecture is more than obvious. Architecture IS a complex system of immaterial objects organising space (of human habitat), embedded in an even greater complex system of the social and the natural. This understanding of architecture is nothing new. Already Jane Jacobs in “The Death and Life of Great American Cities” (1961), such a fundamental book for contemporary urbanists and architects, was referring to Warren Weaver in describing the city as a system of organised complexity. Thus, I don’t think it’s possible to say which are the most important cues for architecture in complexity. Would it be emergence, self-organisation, problem of boundaries, nested nature of natural systems, adaptivity, inherence of history, non-determinism, multiple layers of feedback, heterogeneity, entropy…? I get to ask myself if there are any cues from complexity which are not relevant for architecture? Can’t think of any.”

I understand that. I mean, once you get start seeing the world as temporal systems, it is pretty hard to return to statics. So, which authors in the realm of complexity do you consider important? 

TJ: “For me the interest in complexity started with cybernetics, and here ideas of Norbert Wiener are of course from historical perspective a good starting point. From the architectural perspective it’s impossible to omit Gordon Pask. But from there it has not been a linear path. For the architectural discourse it helps to know Manuel Castells and his insights into “network society” and Juval Portugali’s view on the self-organising city, but these texts are not to be taken without a dose of criticism, that, for example, may well be founded in works of Henri Lefebvre on the ‘production of space’. I have lately become a fan of Bruno Latour’s ANT and I have always been greatly inspired by Manuel DeLanda, which are normally not pigeonholed as belonging complexity theory, or are they?

I’m not familiar with DeLanda but Latour has an uneasy position within complexity theory. I toyed around with his ideas for a while but it never enabled me to reach the analytical depths offered by complexity theorists’ inner circle of authors.

TJ: “But they provide a great foundation for dealing with complexity theory problems. Kevin Kelly in ‘Out of Control’ might be the best example among countless popular-science books that make the phenomena of complexity accessible to newbies. From the practical perspective, John Holland provided me with a solid foundation for the understanding of mechanisms of adaptation and working with adaptive agents, that has been very helpful for me in coming up with practical solutions when building artificial adaptive agents, but there, it’s often most practical to also investigate books from computer science, which deal directly with strategies and approaches for modeling agents. Wooldridge provides a good starting point. I also found some inspiration in studying approaches for building artificial intelligence systems (e.g. Artificial Intalligence: A modern approach by Novig and Russel).

Yeah, I noted that you work builds on Holland’s work…

TJ: “…but this is just my personal path of building up my fairly specific understanding of complexity in the context of architecture. There are many more great authors that have dealt with these problems that may provide great insights and inspiration to architects and others dealing with spatial planning and design problems. The bottom line, is that professionals should develop an understanding of architecture that allows to look at it from within its systemic complexity and to engage themselves in forging new relationships within this system. Otherwise we will only ‘scratch the surface’ of spatial organisation without having any idea what are the forces under that surface making this surface come to being.”

 Part 2 of this discussion will focus on how Thomasz applies complexity to architecture and can be found here.  

Read Full Post »

Perhaps one of the artists who come very close to understanding the urban to its full extent is Machinist, a.k.a. Zeno van den Broek. An architect by education but musician and audiovisual artist by profession, his multi-layered work experiments with our perception and experience of space. He does this in a very convincing fashion. Machinist has released several musical works on CD, his most recent ‘Viens Avec Moi Dans Le Vide‘ and upcoming ‘Of What Once Was‘, and has made video-art, paintings and installations. He will present ‘Transform your Hertz’ on next week’s Motel Mozaïque Festival in Rotterdam. It is time for an interview.

Hi Zeno. As Machinist you have experimented a lot with the sonic perception of space. More recent work has become more abstract but in a way also more concrete because you focused more on spatial distribution of sound and the use of field-recordings. Why this change?

When I started out with Machinist I was mainly focused on an immersion of the audience by making sound like a concrete wall; thick, heavy and impenetrable. Most of the time I created a very oppressing atmosphere from which there was no escape. But when I started working towards ‘Viens Avec Moi Dans Le Vide’ (2010, Betontoon – LG) I became interested in the notion of the void, let’s say the negative space which the ‘concrete wall’ created. My fascination for the void continues today and coincides with an evolution towards a more open atmosphere. I try to let the music and sounds be more open for interpretation by the listener as opposed to bombarding them with a clear cut mood in which there is nothing left to be discovered. I see my work as a constant evolving process, like a research by design and creation, so I can and will only speak about the current position and the relation of this point to the previous line of development. This also runs parallel and entangled with my video and spatial work. Perhaps by the time your readers read this interview my quest has already progressed to a next level.

At this moment I’m working with two main ingredients in my work: sine waves and field-recordings. I’m fascinated by the contrast of the non-spatial tones from the computer to the always-spatial sounds of the field-recordings and I try to use these ingredients, contrasts and cohesions to create spatial experiences which are open for interpretation and association.

You make considerable use of field-recordings from cities, industries and even nature. What is your opinion about the extent to which field-recordings should be manipulated?

For me context is everything; I like to manipulate the experience of the auditor by putting different field-recordings in context to each other and to the abstract tones I mentioned previously. By working like this I try to stimulate the listener to be immersed by the sound and to let them create new (mental) spaces from the details of spaces (the field-recordings) I supply them with, by discovering the(ir) context and relation between the sounds.

I can see that. So, what is the relationship between your music and sounds and the urban?

I like to be confronted with the unknown, to be enriched by something I previously didn’t know of, or to have had a view altered. For me the urban is a coalescence of heterogeneous spaces, people and other occupants which together form a constantly evolving entity, the city, and thus the perfect space to be confronted with this ‘unknown’. In some of my video works I work with these urban spaces, most of the time registrations of ‘uncontrolled’ areas with no video-control, commercial or private interventions, which I see as the true public domains, spaces in which the unknown can be encountered unfiltered.

You have a diverse background and seem to have a broad interest in the urban. What are you main sources of inspiration?

Besides from the city itself my main inspiration comes from visual and spatial art. Yves Klein has been a big inspiration with his notion of the void for ‘Viens Avec Moi Dans Le Vide’ and also for a part of my new release ‘Of What Once Was’ (released this April on Moving Furniture Records). The first half of the album is inspired by his monotone symphonies, in which a chamber orchestra plays only one note for twenty minutes, followed by an equal measure of silence. I take up this concept as a premise on which I’ve build an electric guitar piece in d, with the only variation being the length of tones and different shapes of resonance. Besides Yves Klein some artists I value greatly are: Richard Serra, Michael Raedecker, Tjebbe Beekman, Sigmar Polke, Giuseppe Penone, Daniel Richter, Lucio Fontana, Constant Nieuwenhuys. Your education is in architecture, you were trained as an architect. To what extent does music or sound play a role in designing buildings – or should it play in case it does not?

When designing architecture or creating music I aim for the same ‘goal’; creating a worthwhile spatial experience. I focus on the same issues when I design sound or architecture. I’m fascinated by Swiss and Japanese architecture where  a minimalist approach to expression is coupled with great attention to detail and texture. That attention for detail and texture is carried over into my music, I find it more important than grand sweeping statements. I’m mostly concerned about two connecting elements: space and its context. This context is addressed in my sonic works. When I record a CD, it doesn’t really matter where and when it is played, the pieces are not connected to a certain locality of the listener. The sound installations, however, are strongly connected to a certain area. My composition for Motel Mozaique will be featured in Soundpiece Schouwburgplein, at the central square designed by Adriaan Geuze. It addresses the role of this void in the city and the way the festival permeates in different areas in town. The composition addresses this particular area and time and will become meaningless if played in a different locality. Another work is ‘6.2.2’. This consists of two archetypical volumes, from which 6 compositions, each lasting 2 minutes, can be heard. The volumes derived from a research into negative space that comes into existence in this room placed in relation with the compositions to alter the experience of this space.

You hail from Rotterdam and it is great to see ‘Transform your Hertz’ in your birthplace. However, you moved to Utrecht recently. To what extent has ‘Rotterdam’ influenced your work and has this changed due to your change to Utrecht?

What fascinates me about Rotterdam is that it’s always in transition, which results in many spaces that are ‘in between’ their previous state and what they will become. I grew up in a suburb of Rotterdam, living on a high floor of an apartment building I spend many hours gazing at the Rotterdam skyline and analyzing the city, the building blocks and the space they create, which I think has influenced me greatly and is one of the sources of my fascination. Utrecht is a more static city of a different scale and where there are less spaces in transition to be found, I’m sure this will have its influence on my work but that takes a while to develop.

Let’s see, indeed. Thank you very much for your time and good luck with your upcoming exhibitions. ‘Of What Once Was’ will be released this spring through Moving Furniture Records and ‘Viens Avec Dans Le Vide’ was released through Betontoon.


Read Full Post »